Vrijstelling, onderbouwing en gevolgen ervan

De financiële positie van het fonds zorgt ervoor dat we ook dit jaar maatregelen moeten nemen
Eind 2020 had SPV voor het zesde opeenvolgende jaareinde een lager vermogen dan het wettelijk voorgeschreven minimum niveau. Dat minimale vermogen bedraagt ongeveer 104,5% van de pensioenverplichtingen die SPV heeft. Gezien de bijzondere economische omstandigheden én de in de nabije toekomst te verwachten overgang naar het nieuwe pensioenstelsel heeft minister Koolmees de pensioenfondsen de ruimte geboden om niet te hoeven herstellen naar 104,5%, maar tot een niveau van ten minste 90%. SPV heeft besloten van deze geboden ruimte gebruik te maken: SPV maakt hierbij gebruik van deze zogenaamde Vrijstellingsregeling.

Het bestuur heeft daarom een plan ingediend bij De Nederlandsche Bank (DNB) om de pensioenen de komende 10 jaar telkens met 2% te verlagen. Op deze website verschenen hierover al eerder berichten. Ook plaatsten wij hier het interview dat de voorzitter gaf aan de nieuwssite Pensioenpro over dit onderwerp.

In die eerdere berichten hebben wij uitgelegd waarom wij de pensioenen moeten verlagen en hoe we dat doen. In dit bericht leggen wij uit waarom we gebruik hebben gemaakt van de Vrijstellingsregeling. Als we dat niet hadden gedaan, hadden de pensioenen nog meer moeten worden verlaagd.

We verdelen de maatregelen op een evenwichtige manier
SPV heeft bij het besluit tot gebruik maken van de Vrijstellingsregeling oog gehad voor het evenwichtig afwegen van de belangen van alle deelnemersgroepen. Dat zijn degenen die nu nog pensioen opbouwen binnen ons fonds, de gepensioneerden en degenen die ooit deelnamen en nog een pensioen hebben bij SPV.

Een belangrijke reden voor SPV om gebruik te maken van de Vrijstellingsregeling is dat SPV niet meer wil korten dan het noodzakelijk en evenwichtig vindt. Dat met het oog op de bijzondere economische omstandigheden, maar ook vooruitkijkend naar het aanstaande nieuwe pensioenstelsel. Zonder het gebruik van de Vrijstellingsregeling had SPV over moeten gaan tot het 10 jaar lang ongeveer 3% verlagen van de pensioenen. Dat zou ook hebben betekend dat de pensioenen ook voor de gepensioneerden met 2% onvoorwaardelijke indexatie elk jaar lager zouden worden.

Het bestuur heeft bij de vormgeving van het kortingsbesluit nadrukkelijk aandacht gehad voor evenwichtigheid van de maatregel, de haalbaarheid en de uitvoeringstechnische en communicatieve gevolgen. Gevolg hiervan is dat SPV de benodigde korting niet in één keer doorvoert maar deze spreidt. In één keer doorvoeren van de korting zou met name de gepensioneerden zwaar treffen doordat hun koopkracht in één keer aanzienlijk zou dalen. De gepensioneerden zouden geen mogelijkheden hebben om op tijd maatregelen te treffen om hun koopkracht op peil te houden. Het bestuur heeft verder geen onderscheid willen maken in het ineens dan wel gespreid doorvoeren van de korting tussen de gepensioneerden en de (voormalige) deelnemers met een pensioen bij SPV; dat zou de uitvoering van de maatregel ook duurder en ingewikkelder maken. Alle deelnemersgroepen hebben dus te maken met het gespreid doorvoeren van de korting.

We stellen de korting gelijk aan de onvoorwaardelijke indexactie voor een termijn van 10 jaar
Belangrijk uitgangspunt is geweest het gelijkstellen van de korting aan de onvoorwaardelijke indexatie van 2% die voor de meeste deelnemers geldt. Hierdoor blijft het (opgebouwde) pensioen van de meeste deelnemers en gepensioneerden zo goed als gelijk. SPV heeft ervoor gekozen om de korting langer dan strikt noodzakelijk toe te passen. Er is gekozen voor een termijn van 10 jaar. Hierdoor wordt er in totaal meer gekort dan nodig is om op het niveau van 90% uit te komen. Anders zou het pensioenfonds door een overheidsmaatregel in 2021 gelijk weer een daling van de dekkingsgraad ervaren. Door het langer doorvoeren van de korting hoeft SPV in 2021 dus niet over te gaan tot een extra korting. Hierdoor wordt een stapeling van kortingen voorkomen. Dit zou de communicatie naar de gepensioneerden en de (voormalige) deelnemers extra ingewikkeld maken en de uitvoering bemoeilijken.

Bij het nemen van de herstelmaatregelen dragen de gepensioneerden en de (voormalige) deelnemers allemaal bij. De (voormalige) deelnemers ervaren een jaarlijkse korting van 2%, 10 jaar lang, van het tot en met einde 2020 opgebouwde pensioen. Dit valt nagenoeg weg tegen de vaste indexatie van 2% per jaar. Degenen die nog pensioen opbouwen hebben in 2021 verder te maken met een verlaagde inkoop van pensioen: zij bouwen een kwart minder pensioen op. Het te goedkoop inkopen van pensioenopbouw wordt hiermee beperkt. De gepensioneerden dragen op hun beurt ook bij aan de verbetering van de financiële positie van SPV doordat ook hun pensioen jaarlijks, 10 jaar lang met 2% wordt gekort. Doordat de korting voor de meesten dus gelijk is aan de onvoorwaardelijke indexatie blijft het pensioen zo goed als gelijk, behalve voor gepensioneerden met conversie.

Belangrijk gevolg van het gebruik maken van de Vrijstellingsregeling is dat SPV op het einde van 2020 niet het vermogen heeft van 104,5% van de pensioenverplichtingen; dat is de keerzijde van het minder hoeven korten. Het herstel van SPV duurt daarmee langer. Het bestuur vindt het gebruiken van de Vrijstellingsregeling evenwichtig, ook met het oog op de aanstaande overgang naar het nieuwe pensioenstelsel.